De Jachtmaan (verhaal)

 1. De jongen

Lang geleden woonde aan de rand van een bos een jongen met zijn ouders. Zijn naam was Milo en hij was twaalf jaar oud.
Milo’s vader was jager. Hij was van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat weg en verdiende net genoeg om zijn gezin te onderhouden. Milo’s moeder zorgde voor het huis en maakte het eten klaar. In die tijd was het normaal dat een zoon hetzelfde beroep als zijn vader koos. Dat betekende dat Milo ook een jager zou worden. Zijn vader was daar blij om, want dan had hij eindelijk hulp. En een extra jager betekende extra verdienen.
Milo was bijna dertien jaar, en hij wist dat hij op zijn verjaardag zijn eerste boog zou krijgen. Dertien was in die tijd de leeftijd waarop je volwassen werd. Dan ging je in de leer of je ging werken. Volgens de wijzen uit het dorp betekende het ook dat je iets moest loslaten om iets nieuws in jezelf te ontdekken. Voor Milo was het duidelijk: hij zou geen kind meer zijn, maar een jager worden, net als zijn vader.
Al wekenlang was hij bezig met het verzamelen van sterke, rechte takken. Die had hij nodig om pijlen van te maken. Hij mocht het mes van zijn vader gebruiken om er punten aan te snijden. Het was leuk om te doen, maar het versieren van de pijlen vond hij nog leuker. Met het mes sneed hij tekeningen in de pijlen, en bij iedere pijl had hij zelf een verhaal verzonnen. Meestal gingen die over dieren, soms ook over mensen.
‘Ik kan in alles een verhaal zien,’ dacht Milo wel eens. ‘Als ik ergens naar kijk of als ik begin te tekenen, komt het verhaal vanzelf. Dat is leuk, maar ja, vader heeft gelijk als hij zegt: daarmee komt er geen brood op de plank!’

Op een middag kwam zijn moeder bij hem zitten. Het was eind oktober en de Maan was al te zien. De herfst had met zijn kou en regen de laatste warmte verjaagd. Maar deze middag waren er geen wolken in de lucht, en Milo zat buiten op een bankje.
“Mag ik zien wat je maakt?” vroeg ze.
Milo liet haar een paar pijlen zien. “Kijk, deze pijl vertelt het verhaal van een konijnenfamilie. Het kleinste konijn kan niet zo snel rennen als de rest, en verdwaalt. Een winterkoninkje vindt hem, en brengt hem weer veilig thuis.

Zijn moeder draaide de pijl rond en bekeek de tekeningen. Ze knikte en zei: “Ja, ik zie het. Milo, dit is knap werk!”
Blij keek hij zijn moeder aan. Toen pakte hij een andere pijl. “Deze vind ik het mooist. Het gaat over een kikkervisje dat tevreden rondzwemt. Hij denkt dat het water zijn hele wereld is. Dan beginnen er ineens dingen aan hem te veranderen: hij krijgt achterpootjes, dan voorpootjes, en zijn staart wordt kleiner en kleiner. Het kikkervisje vindt het maar vreemd, maar hij kan het niet stoppen. Op een dag kan hij niet meer ademen onder water, en moet hij wel aan land klimmen. Daar ontdekt hij dat hij veel meer kan nu hij een kikker is. Hij kan hoog springen, in het water duiken en heel hard zwemmen. Het is leuk om een kikker te zijn!
Dan ziet hij op een dag een vogel bij het water staan. ‘Zeg kikker,’ zegt de vogel, ‘zou jij niet willen vliegen?’
‘Jawel,’ zegt de kikker, ‘maar ik heb geen vleugels. Bovendien ben ik een kikker, en daar ben ik goed in.’
‘Hmm,’ zegt de vogel, ‘misschien kan ik je toch helpen om een rondje te vliegen. Kom eens hier.’
Kikker neemt een grote sprong. Het voelt bijna als vliegen, maar dan landt hij op de grond. ‘Vogel, ik wil graag een rondje meevliegen. Wat moet ik doen?’ vraagt de kikker.
‘Stap maar in mijn snavel, dan kun je kijken als we omhoog gaan.’
De kikker stapt in de snavel en ze stijgen op. Als ze boven het water vliegen gooit de vogel ineens zijn nek naar achteren en slikt de kikker door. ‘Zo,’ zegt hij, ‘en ik ben een blauwe reiger, en daar ben ik goed in!’

Milo’s moeder moest lachen. “Wat kun jij toch goed verhalen verzinnen,” zei ze. “En de tekeningen in het hout zijn ook prachtig. Over twee dagen ben je jarig, dan kun je je pijlen echt gebruiken. En kijk eens omhoog...” Ze wees naar de lucht. “De Maan is bijna vol. Het is de Maan van de Jacht, die ons vertelt dat het nodig is om op jacht te gaan om de wintervoorraad aan te vullen. Jij mag je vader dit jaar helpen. Oh, hij zal zo trots op je zijn!”
Milo voelde zich groot en sterk door de woorden van zijn moeder. Volgens de wijzen van het dorp zou er veel gaan veranderen als hij dertien jaar was. Zelf dacht hij dat dat wel zou meevallen. Hij zou alles over jagen kunnen leren van zijn eigen vader, en hij hoefde niet eerst in de leer bij iemand anders.
Zijn moeder stond op en klopte hem op zijn schouder. “Ik ga het eten voor vanavond klaarmaken. Je vader zal zo meteen wel komen, dan kun je je pijlen aan hem laten zien.”
Milo knikte en keek zijn moeder na. Toen pakte hij een nieuwe pijl op en dacht na. Dromerig staarde hij naar de bomen, op zoek naar nieuwe ideeën voor een verhaal. Al snel was hij weer aan het tekenen in het hout. Hij had een glimlach op zijn gezicht en voelde zich gelukkig.

2. Op pad

Het was zover: het was de dag dat Milo dertien jaar werd. Veel vroeger dan normaal was hij wakker geworden. Hij had gedroomd dat hij een boog kreeg met pijlen die alles raakten waar hij op mikte. Het was een leuke droom, misschien zelfs een goed teken. Stil bleef hij in zijn bed liggen en wachtte tot zijn ouders hem kwamen halen.
Zijn vader kwam als eerste zijn kamer binnen en ging bij hem op bed zitten. “Vandaag is een bijzondere dag, en ik ben zo blij dat ik die dag met jou kan vieren. Kom, mijn zoon, kleed je aan en kom kijken wat we voor je hebben.” Hij omhelsde Milo en wachtte tot die zich had aangekleed. Toen liepen ze samen naar de keuken, waar zijn moeder een heerlijk ontbijt had gemaakt.
“Milo!” riep ze. “Kom hier mijn jongen, mijn grote jongen!” Ze omhelsde hem stevig en wees naar aan de tafel. “Ik heb je lievelingseten gemaakt: vers gebakken brood met ei en kaas.”
“Bedankt, mam,” zei hij. Hij keek naar zijn vader, die hem gebaarde om te gaan zitten.
“Eerst je ontbijt eten, Milo, daarna krijg je iets van mij. Wij jagers moeten een goed gevulde buik hebben voor we op pad gaan.”

Na het ontbijt nam zijn vader hem mee naar de schuur. Achterin stond iets, verborgen onder een laken. Milo liep er naartoe en trok het laken weg. Daar was het: zijn eerste boog. Hij pakte de boog op en voelde aan het lichtbruine, gladde hout.
“Houd hem eens voor je, met je arm gestrekt,” zei zijn vader.
Milo hield de boog voor zich, spande het koord en deed alsof hij wilde schieten.
“Ja, precies groot genoeg. Hier, deze pijlen krijg je van mij. Zullen we buiten wat gaan oefenen? Dan kun je meteen je eigen pijlen uitproberen.”
“Dank je, oh, dankjewel!” riep Milo naar zijn vader. Trots als een pauw liep hij achter hem aan, de schuur uit. Aan een boom zag hij een rond bord met een zwarte rand. Daarin was weer een rode rand, en in het midden was een witte cirkel geschilderd.
“Hier kun je oefenen voordat we het bos in gaan,” zei zijn vader.
Samen schoten ze de ene na de andere pijl op het bord. Milo kon het goed, want hij had al vaak geoefend met zijn eigengemaakte bogen. Dit was een sterke, grote boog, en hij moest er aan wennen. De pijlen van zijn vader waren rechter en scherper dan zijn eigengemaakte pijlen, en ze raakten het doel harder.

In de middag vertrokken ze. “We zijn voor het donker weer thuis,” zei zijn vader tegen zijn moeder. Milo zwaaide naar haar en liep met zijn vader het bos in.
Na een tijdje waren ze diep in het bos. Ze stopten bij een omgevallen boom. “Dit is een goede plek om je te verbergen, Milo. Hier lopen veel konijnen en herten. Zorg dus dat je een pijl klaar hebt om te schieten. Ik ga nog een stuk verder, want daar heb ik een val gezet. Wacht hier op me, dan zien we elkaar straks weer. Hopelijk met een goede buit!”
Zijn vader knikte hem toe en liep verder het bos in. Milo zakte weg achter de boomstam en wachtte. Alles was stil en er was geen beweging te zien. Hoe lang zou hij hier moeten wachten? Hij legde de boog overdwars op de boomstam, zodat niet opviel dat hij daar klaar zat om een pijl af te schieten. Voor hem was een open plek tussen de bomen. Het groene gras zou vast dieren aantrekken. Hij bewoog de boog en hij richtte op verschillende plekken. Zou het hem lukken iets te raken?

Na een tijdje hoorde hij iets. Hij zat doodstil, durfde alleen zijn ogen te bewegen. Er kwam iets aan, hij hoorde het duidelijk. Heel voorzichtig gluurde hij over zijn boog. Het was een groot dier, en het was niet alleen. Zo stil mogelijk wachtte hij af. Toen zag hij wat het was: een hert met haar jong. Ze knabbelden aan de blaadjes en kwamen steeds dichterbij. Vlak voor het gras stopten ze. Milo hield zijn adem in. Het hert keek rond en snoof. Daarna stapte ze het gras op, gevolgd door het jong. Ze besloot dat het veilig was, veilig genoeg om het gras te eten op de open plek. Het jong was pas een paar maanden oud, want het had nog witte vlekken op zijn rug. ‘Wat vreemd,’ dacht hij, ‘een klein hert in oktober. Dat is wel heel laat in het jaar.’
Hij hield zijn boog stevig vast. Hij hoefde alleen maar het koord met de pijl naar achteren te trekken en het dan los te laten. Dit was een gouden kans. Wat zou zijn vader opkijken als hij zag dat zijn zoon een hert had geschoten!
Maar Milo’s handen bewogen niet. Hij keek naar het tafereel voor hem.
Het jong maakte een geluidje en liep naar zijn moeder. Het hert keek haar jong aan alsof ze zei: toe maar, het is veilig, je mag drinken. Ze likte even liefdevol over zijn kop en hals. Het jong bukte en begon te drinken. Nog steeds schoot Milo zijn pijl niet af. Hij kon het niet.
‘Hoe kan ik nou een jager worden als ik geen dier kan doden?’ dacht hij. Zijn armen ontspanden zich en hij liet het koord van de boog los. De pijl lag nu op de boomstam. ‘Ik kan niet op de moeder van dat jong schieten. Hoe zal hij overleven zonder zijn moeder?’ Hij zag dat het jong klaar was met drinken. Milo liet zijn arm op de grond zakken. Een takje kraakte en het hert schrok op. Ze sprong weg van het gras en het jong volgde haar tussen de bomen, het bos in.

Ze waren weg, en Milo bleef achter met een gevoel van schaamte. Wat moest hij aan zijn vader vertellen? Dat hij te laf was om een hert te doden? Jager zijn was zijn bestemming, dat had hij zijn hele leven al geweten. Hij had er nooit een probleem mee gehad. Tot nu, nu hij zelf degene was die het dier moest doden.
Milo stond op en sloeg de boog over zijn schouder. De pijl van zijn vader stopte hij terug in de pijlenkoker, zijn eigengemaakte pijlen liet hij op de grond liggen. Hij keek om zich heen. Het zou nog even duren voor zijn vader hier weer was. ‘Gelukkig heeft hij niet gezien hoe ik het heb verpest,’ dacht hij. Zijn ogen prikten want hij kon wel huilen. Boos op zichzelf liep hij wat rond in het bos. Hij was zo aan het nadenken over hoe hij zichzelf toch in een jager kon veranderen, dat hij niet merkte dat hij steeds verder van de open plek raakte. Pas toen hij probeerde terug te gaan merkte hij dat hij verdwaald was.

3. Verdwaald

“Vader!” riep Milo.
Er kwam geen antwoord. Hij had geen idee hoe hij weer thuis kon komen, hij was verdwaald. Zijn vader kende het bos op zijn duimpje, hij niet.
Moe zakte hij tegen een boom aan op de grond. Wat een mooie dag had moeten zijn, was veranderd in een grote teleurstelling. Het enige dat hij had moeten doen was het hert doden, maar hij had het niet gedaan. ‘Mijn vader zal zo teleurgesteld zijn,’ dacht hij. ‘De zoon van de jager kan geen dieren doden, dat zullen ze zeggen. En ik ben ook nog verdwaald.’
Moedeloos keek hij om zich heen. De meeste bomen hadden de helft van hun bladeren al verloren, maar het mos was groen zoals altijd. Boven zijn hoofd vond een bleek zonnetje zijn weg door de takken. Door die takken heen zag hij de lichtblauwe lucht. ‘Eigenlijk is het wel mooi hier,’ dacht hij. ‘Het lijkt wel een betoverde plek zo tussen de zonnestralen.’ Hij dacht aan het verhaal dat hij had verzonnen over het verdwaalde konijn dat werd gevonden door een vogel. Zou iemand hem vinden?
Met een zwaar hart sloot hij zijn ogen. In gedachten riep hij zijn vader om hulp. Hij vroeg ook voor de kracht om een jager te kunnen worden. Zo viel Milo in slaap.

“Milo, Milo de jagerszoon. Kun je mij horen?”
Met veel moeite opende Milo zijn ogen. Het was al halfdonker. Was hij in slaap gevallen? Hij keek om zich heen, maar er was niemand te zien. Had hij gedroomd dat iemand hem riep?
“Nee, Milo, je droomt niet. Kijk goed, kijk met je geestesoog.” Het was de stem van een vrouw. Ze klonk heel dichtbij.
Milo tuurde links en rechts, tussen de bomen en recht voor zich. “Wat bedoel je?” vroeg hij. “Ik zie niemand.”
Het was stil, en Milo staarde voor zich uit. Zag hij daar iets glinsteren? Hij hield zijn ogen onbeweeglijk op de plek gericht waar hij iets zag. Het leek of alles om hem heen donker werd, behalve de gestalte voor hem, die werd steeds lichter. Hij zag een oude vrouw met lang grijs haar. In plaats van kleren leken er witte sluiers om haar te zweven. Haar donkere ogen keken hem vriendelijk aan.
Milo had nog nooit zoiets vreemds meegemaakt, maar hij voelde geen angst. “Wie ben je?” vroeg hij.
“Ik ben Amaris. Ik heb je wens gehoord, Milo. Je wilt een jager worden, is het niet?”
“Ja,” zei Milo hoopvol. Kun jij me helpen?” Met grote ogen keek hij naar de vrouw.
Ze strekte haar armen uit en de lange mouwen van haar gewaad dansten in de lucht. Toen schudde ze langzaam haar hoofd.
“Oh,” zuchtte Milo. Hij liet zijn hoofd hangen.
“Milo,” zei ze, en haar hand tilde zijn kin op. “Waarom heb je het hert gespaard?”
“Omdat ik een lafaard ben. Ik kon het niet en ik schaam me diep. Help me, als je dat kan. Misschien vind ik nog een dier, dan schiet ik dat!”
De vrouw glimlachte en schudde weer haar hoofd. “Ik vraag het je nog eens: waarom heb je het hert gespaard? Luister naar je hart Milo, en antwoord me dan.”
Milo dacht terug aan het hert en het jong. Ze hadden daar zo vredig gestaan, zo vol vertrouwen dat ze veilig waren. “Ik kan het niet,” zei hij met zekerheid, “nu niet en nooit niet. Ik kan geen weerloos dier doden. Wat moet ik doen? Ik ben een mislukkeling.”
“Denk je dat echt? Zeg me, is een kikker ook een mislukkeling als hij niet kan vliegen?”
Verbaasd keek Milo naar Amaris. “Nee, natuurlijk niet,” zei hij bijna lachend. “Een vogel vliegt, en een kikker zwemt of springt!”
Uit het niets haalde de vrouw ineens een pijl tevoorschijn. “Hier,” zei ze. Haar oude gerimpelde hand bood hem de pijl aan.
“Maar dit is mijn pijl! Kijk, hier staat het verhaal van een kikkervisje dat in een kikker verandert, en dan ...” Milo stopte en keek naar zijn tekeningen. Een vreemd gevoel kwam over hem.
“Snap je het?” vroeg de oude vrouw.
“Ik denk het wel. Ben ik de kikker die wil vliegen?”
“Haha. Ja, dat klopt!” lachte ze. “Zie je dat dat niet kan? Jij bent geen jager, want je hebt geen jagershart. Jij bent een verhalenverteller!”

Voor het eerst deze middag was Milo opgelucht. De woorden van de vrouw lieten hem voelen hoe het was om een verteller genoemd te worden. Hij wist dat hij daar goed in was, en het voelde goed! Hij was er zo van uitgegaan dat hij een jager zou worden, dat hij zelfs niet over iets anders had nagedacht. Alle jongens in het dorp volgden hun vader op, zo ging dat gewoon.
‘Mijn vader,’ dacht hij. ‘Die zal het nooit goed vinden. Hij heeft zo lang gewacht op mijn hulp, en hij heeft mij ook echt nodig. Zal hij het kunnen accepteren als hij hoort dat ik geen jager kan worden?’
Amaris pakte hem bij de hand en Milo stond op. “Kom,” zei ze, “het is bijna donker en tijd dat jij naar huis gaat.”
“Maar wat zeg ik thuis? Wat vertel ik mijn vader? Ga jij met me mee?”
“Nee Milo, luister. Eén van de wijze vrouwen in het dorp is een verhalenverteller, dat weet je toch?”
Milo knikte.
“Ga naar haar toe. Zeg dat je mij hebt gezien en met mij hebt gesproken. Dat zal voldoende zijn. Je weet zelf wat goed voor je is, Milo, je hebt het zelfs al bedacht en getekend. Denk aan je eigen verhaal, waarin je eigenlijk vertelt dat je dat moet doen waar je goed in bent, waar je plezier in hebt. Als je alleen luistert naar de woorden van een ander, kan het slecht met je aflopen.”
“Ja,” zei hij, “zo heb ik het verzonnen. Maar ik dacht niet dat het over mijzelf ging.”
“Natuurlijk gaat het over jezelf, het komt immers uit jouw hart. Volg je hart, en je zal je geluk vinden. Ga nu, Milo de verhalenverteller, ga die kant op.” Ze wees in de richting die hij moest gaan. Toen leek ze op te lossen in de lucht.
Milo bleef nog even staan, maar ze was weg, verdwenen. Hij pakte zijn boog weer op en nam ook zijn eigen pijl. Toen liep hij in de richting die Amaris had aangewezen.

    4. De Maan

In het halfdonker liep Milo door het bos. Vol vertrouwen ging hij in de richting die de oude vrouw had aangegeven. Ze had gezegd dat hij geen jager was, maar een verhalenverteller. Dat was wat zijn hart hem ook vertelde, wat hij eigenlijk altijd al had geweten, zonder dat hij het door had. ‘Ik wil niet op dieren schieten,’ dacht hij, ‘maar mensen gelukkig maken met mijn verhalen. Als dat toch eens waar zou kunnen zijn.’ Hij dacht aan zijn ouders. ‘Wat zullen die ervan zeggen? Zullen ze zomaar aanvaarden dat ik geen jagershart heb? Zal iemand mij geloven als hij zeg dat ik Amaris heb ontmoet? Ik weet zelf niet eens wie ze is of wat ze is.’
De Maan stond helder aan de hemel en verlichtte zijn pad. Ineens hoorde hij geroep in de verte. Hij zag lichtjes bewegen die dichterbij kwamen.
“Milo,” hoorde hij. Het was de stem van zijn vader.
“Milo, waar ben je?” riep zijn moeder.
“Vader, moeder, hier ben ik,” riep hij terug. Hij begon te rennen in de richting van de lichtjes en van het geluid. Al snel was hij bij zijn ouders, en zijn moeder omhelsde hem.
“Mijn zoon, ik was zo ongerust! Wat is er gebeurd? Waar was je?” Ze bekeek hem en kuste hem op zijn voorhoofd.
Zijn vader pakte hem daarna vast en omhelsde hem stevig. “Toen ik terugging naar de plek waar ik je had achtergelaten, was je weg,” zei zijn vader. “Ik heb je geroepen en ik heb overal gezocht, maar je was niet te vinden. Oh, wat ben ik blij je te zien.”
Op de terugweg vertelde Milo wat er was gebeurd. “Ik kon het niet, vader. Er kwam een hert met haar jong, maar ik kon niet op ze schieten. Ik schaamde me zo en ik wist niet wat ik moest doen. Dus ging ik wat rondlopen, tot ik merkte dat ik verdwaald was.” Hij keek naar zijn vader, maar die zei niets. Was hij niet boos of teleurgesteld?

Pas toen ze bijna bij hun huis aan de rand van het bos waren, durfde Milo te vertellen over Amaris, de oude vrouw die voor hem was verschenen. “Ze zei dat ik beter verhalen kan vertellen dan jagen. En ze zei dat ik naar de verhalenverteller in het dorp moest gaan, dat die wel weet wat ik moet doen. Kunnen we naar haar toe gaan?”
Zijn moeder keek serieus en knikte. Zijn vader zei niets maar liep vooruit, langs hun huis, het dorp in.
Bezorgd volgde Milo hem. ‘Zie je wel, hij is boos op me,’ dacht hij, ‘boos en teleurgesteld in zijn zoon die hem niet kan opvolgen.’
Veel tijd had Milo niet om zich zorgen te maken, want ze stonden al bij het huis van de wijze oude vrouw. Milo had haar vaak gezien als ze een verhaal vertelde en de mensen raad gaf. Maar zelf had hij nog nooit bij haar aangeklopt met een vraag.
“Weet je zeker dat je hier moet zijn?” vroeg zijn vader aan hem.
Milo knikte.

Zijn vader klopte drie keer op de deur en ze wachtten. Er klonken voetstappen en de deur werd geopend. De vrouw keek verbaasd naar de drie mensen die voor haar deur stonden.
“Wat brengt jullie hier, zo laat op de dag?” vroeg ze.
De jager duwde zijn zoon naar voren. Iedereen keek Milo aan.
“Ik, eh,” stotterde Milo, “ik ben naar jou gestuurd door Amaris. Ik heb haar gezien in het bos en ze zei tegen me dat ik hierheen moest gaan.”
“Amaris zeg je?” De vrouw knipperde en keek hem ongelovig aan.
Milo knikte onzeker. “Ken je haar?” vroeg hij hoopvol.
“Ja, ik kende haar. Kom binnen, en vertel me alles.”
Ze hield de deur open en al gauw zaten ze allemaal rond een tafel. Milo vertelde zijn verhaal weer zo goed als hij kon. Af en toe keek hij naar zijn vader om te zien wat die ervan vond, maar hij kon het niet van zijn gezicht aflezen.
Toen hij het verhaal vertelde dat hij op de pijl had getekend, moest de vrouw lachen. “Aha, Amaris stuurt me een kikker die wil vliegen,” zei ze. “En op het juiste moment!”
Milo’s vader fronste en haalde zijn schouders op. “Wie is nou toch Amaris?” vroeg hij. “Waar is zij zelf?”
De vrouw keek weer ernstig. “Amaris was de verhalenverteller van het dorp voordat ik dat werd. Toen ik bij haar in de leer ging, was ik net zo oud als jij nu bent, Milo.”
“Dat dacht ik wel,” zei zijn moeder. “Ik herkende haar naam. Maar... Amaris is jaren geleden overleden.”
De oude vrouw knikte. “Milo kende haar niet, hij wist niets over Amaris, dus hij kan dit onmogelijk verzonnen hebben. Op het moment dat hij op jacht was naar iets wat niet voor hem was bedoeld, heeft zij hem op het goede spoor gezet. Jongen, ze is over de grens van de andere wereld gegaan om jou aan te wijzen als mijn opvolger. Is dit ook jouw wens?”
Milo juichte van binnen. Eindelijk durfde hij blij te zijn met deze dag. Het voelde of er ballonnen werden opgelaten in zijn buik en het kriebelde plezierig. Maar hij keek eerst naar zijn ouders zonder iets te zeggen. Zijn moeder knikte trots naar hem. Zijn vader keek bezorgd.
“Ik zal een andere jongen naar je toesturen om op te leiden als jager,” zei de vrouw tegen zijn vader. “Hij zal jouw hulpje zijn de eerste jaren.”
Zijn vader dacht na en knikte. Hij klopte Milo op zijn schouder. “Mijn zegen heb je, zoon.”
“Bedankt,” riep Milo uit. “Ja, dit is mijn wens, dit is wat ik graag wil.”
“Goed dan, Milo de jagerszoon, ik neem je aan als leerling-verhalenverteller. Ga nu, en kijk naar de hemel. Daar staat de volle maan, de Maan van de Jacht, en ze schijnt vanavond voor jou. Alleen voor jou.”

©Petra Stam
(Dit verhaal heb ik jaren geleden geschreven. Met een persoonlijke reden...
Svp niet copy-pasten, je kunt hierheen verwijzen als je het wilt delen! Thanx)